"Er was eens een jongen. Met krullen. En sproeten. Een hart van peperkoek
en honingglans in de ogen. Zijn geest was oud en zijn verstand van
kwikzilver. Hij bestond zonder vader. Zonder een moeder. Maar met een
opa die hem op handen droeg. Door de kamers van zijn oude huis. Ze
staarden dan samen door de vensters op de wereld en droomden die als in
de boeken van lang gestorven schrijvers. Warm, wijs, kleurrijk en met
happy ends. Op het einde dag belandde de jongen steevast in de bovenste
lade. Van opa. Van opa’s ladenkast. En de jongen wist zich daar
thuis...."
(deel 1)
Pubers moet je wel de les spellen
en vragen bij de les te blijven
als ze plots ouderlijk gezag
met een lange a gaan schrijven.
"Telkens ik moet poetsen,
begin ik bij voorkeur met de plaat."
Geen opmerkingen:
Een reactie posten