maandag 6 januari 2020

7 januari

"My name is Donald Trump
      and all I do is dump:
people, planet & prosperity.
    I'm your stable genius
            in stupidity."



"De wever weeft weer een net
met aas die niet mag vallen
Zo blijft hij netjes aan zet
in een regering zonder ballen."



Ooit kloegen Adam en Eva steen en been
Waarom hebben wij geen weledele staart
Nee die had God naar het hen toescheen
enkel voor de sierlijkste dieren bewaard


Als antwoord op al dat zeurderige geween
schonk God er eentje net zoals een paard
met daaraan (toegegeven tikkeltje gemeen)
een over ontwikkeld angstgevoel gepaard


Dreigde gevaar, als was het maar een zweem
zaten beiden nu met een ingetrokken staart
dat gaf zo’n ongemak zoals af en toe het speen
en al snel vonden ze het dat allemaal niet waard


Dus baden ze in de hoop dat hij weer verdween
en God hanteerde hoofdschuddend het zwaard
Bij deze is het mysterie van dat rottige staartbeen
met wat haken en ogen voor u allen uitgeklaard.

6 januari

"Hoop is nooit verloren. Hooguit verkeerd gelegd."


Wat ik altijd tegen Theo Franken wil zeggen:
"Hallo gast, vrijheid behoort iedereen toe."


"Mijn zoon wil later geen architect worden want dan heb je levenslang huiswerk."

zondag 5 januari 2020

5 januari

Poëzie
is wandelen langs werkelijkheid
verbloemen en vervloeken
benoemen en verzoeken
zelfgezochte breekbaarheid


Poëzie
is woorden geven
aan wat leeft zonder mond
aan het gedeelde gewond
dat zo heelt voor heel even


Poëzie
is regelvrij ontregelen
talen om taal en tooien
het vergankelijke vergooien
om het in zinnen te verzegelen


Maar poëzie
is ook gewoon een woord
waarin ik een poes zie
met oogjes ongestoord
boven de eerste e
en dat z-staartje
daar kwispelt
ze soms mee.



'De spelling van een woord mag enkel in geval van speling overboord."


 
Zonevreemde plant
dansend in het licht
Utopia is geen land
Het is een ander zicht.

Geen fotobeschrijving beschikbaar.

zaterdag 4 januari 2020

4 januari

"Het huis sloot zich voor jaren. Als een bloem die vergeefs op de zonsopkomst wachtte. In de onderste lade was de jongen ondertussen niets. Niet dood maar ook niet levend. Hij sluimerde. Niet in staat een kant te kiezen. Maar toen op een late winterdag een onbestemd licht door het sleutelgat van de lade deemsterde, ontdooide de jongen. In de schommelstoel van opa zat een meisje. Bleek en mooi. Zichzelf wiegend. Maar met de blik gekluisterd. Gevangen in blauw licht. Gevangen in elders zo leek het wel. Alleen als ze sliep doofde het blauwe licht. De jongen zag hoe die slaap geen rust bood. Hoe het meisje magerder, bleker werd. De ogen doffer. Het wiegen rustelozer. De jongen trok naar buiten. Snoeide de wildgroei van jaren. Spitte het gazon tot moes. Verwelkomde schapen, kippen en varkens als waren het trekvogels die na een lange koude winter terugkeerden. De oude radio werd van de zolder gehaald en zijn warm geel licht verzachtte het blauwe koude licht. Het vuur in de stoof bracht kleur op de wangen van het meisje en gensters in haar blik. De jongen groeide en groeide. Tot man. Het meisje leerde hem kijken door haar venster met blauw licht. ’s Avonds staarden ze samen door zijn vensters op de wereld en droomden die als in de boeken van oude schrijvers. Warm, wijs en met happy ends. Daarna droegen ze elkaar op handen. Naar de bovenste lade. Dankbaar de honing te kunnen zijn in de ogen van de ander. De tijd verstreek. Onherroepelijk. Maar terug traag."

(Deel 7 - einde)

"Het weer is troosteloos
‘t lijkt één en al verdriet
Zonder enige tussenpoos
huilt het deze dag teniet

Hoe troost je een fenomeen
met een grijsheid zo intens
Denk dat ik maar meeween
achter ramen vol condens."


"It’s so sad that the lost
of our tail can’t be undone,
‘cause I believe that once
upon it was a fairy one."

"Het is niet omdat je in de ban van de ring bent,
 dat je er ook wil in geslagen worden."

vrijdag 3 januari 2020

3 januari

"Die dag stopte de jongen met groeien. Het kwikzilver in zijn hoofd viel stil. Een krop nestelde zich in zijn hart. Geborgen in de onderste lade zocht hij naar het antwoord op het alles van zijn opa. Keer op keer kwam hij uit bij niets. De eerste dagen hoorde hij de stem van de oude man die een toon zocht. De juiste om zijn fout goed te maken. Smekend. Woedend. Maar dag na dag verloor de stem aan kracht tot ze op een dag verdwenen was. Stilte vulde het oude huis, als dikke mist. Ze plakte aan de muren. Drong als schuim door de spleten van de ladekast en wekte uiteindelijk de jongen uit zijn lethargie. De jongen huilde zeven dagen en zeven nachten. Toen de lade dreigde over te stromen en de jongen zou verdrinken in zijn lage zelfbeeld, werden de deuren en ramen opengegooid en deed een jong gezin zijn intrede. Korte tijd werd de jongen weer op handen gedragen. Hij verzorgde voor hen de dieren. Herstelde wat stuk ging. Provisoir. Zoals opa het hem geleerd had. Hij liet hen proeven van het leven dat hij met zijn opa had geleden. Warm en charmant. Ogenschijnlijk tijdloos. Maar charme verdween onder overvloed. De lampenradio op zolder. De moestuin onder gazon. De dieren naar fabrieken. De tijd naar de hoogste versnelling. Alle kennis en kunde van de jongen werden waardeloos voor het gezin en algauw zakte hij naar de onderste lade en naar een uithoek in hun herinnering. De jongen begon te krimpen. Toen het gezin jaren later het hopeloos verouderde huis inruilde voor modern beton, leek de onderste lade leeg. De jongen zat dicht aan tegen wat hij zo had gevreesd te worden. Niets."



Kindertijd
 
Het leven op een drafje
geen tijd om stil te staan
huiswerk en een strafje
de juf niet goed verstaan

Snoepen, drinken, slapen
dan dromen van de maan
om ter meeste eitjes rapen
in alle regenplassen staan

Huilen, lachen, schreeuwen
trots het eigen wegje gaan
nooit moe zijn bij ’t geeuwen
vergeet elke vergoten traan

Groeien, stoeien en speuren
lopenlangsdelangelindelaan
zoveel dat er moet gebeuren
de ergste vijand is de kraan

Dan plots gaat alles vertragen
voelt de tijd wat vreemder aan
sluimert het eerste onbehagen
is de onbezonnenheid gedaan.



"Het verkopen van onzin staat altijd in solden. Tenzij net voor de verkiezingen zou er een sperperiode zijn."

"Rappers en hiphoppers zijn vaak echte schot-voor-de-boegbeelden."

donderdag 2 januari 2020

2 januari

"De oude man wou de jongen nog één ding meegeven. Een inzicht. Een geschenk. Het sluitstuk. Gezeten aan de keukentafel schoof de opa zijn kleinzoon een blad papier toe. Wit. Maagdelijk. Zijn handen trilden onder het gewicht van het moment. De jongen keek hem van onder zijn krullen vragend aan. “Dit”, sprak opa, “is wat ik jou wil nalaten. Lang geleden heb ik me in de oorlogsmodder staande weten houden met slechts één doel voor ogen: De wereld beter nalaten dan toen ik erop kwam. Voor jou. Met zijn allen hebben we vrede, welvaart en vooruitgang tot betekenis gebracht. Hebben we het vuil van onze handen gewassen. De zwarte rouwrand van het papier geknipt. Dit witte blad is leeg. Het is nu voor jou. Om het te vullen. In volledige vrijheid. Alles kan. Alles.” De oude man zijn stem brak even bij het laatste woord. Alles was bijna gezegd. Zijn leven zou weldra voldaan zijn. Met hese stem fluisterde hij:” Schrijf maar op wat je worden wil, mijn jongen.” De oude man sloot de ogen en wachtte gespannen. Op vervulling. Maar de jongen bewoog niet. Zijn blik vulde zich met het wit van het blad. Het was alsof van binnenuit een sneeuwlawine over hem heen gleed en hem levend begroef. Hoe hij zijn geest ook probeerde in een richting te forceren, de alles van zijn opa sloeg hem lam. De oude man voelde de stilte koud worden en opende angstig de ogen. Het lege witte blad sloeg hem vol in het gezicht. Tocht drong zijn lichaam binnen. Hij zag hoe bij zijn jongen de honing uit zijn ogen liep en een dorre leegte achterliet. Ze zwegen.
Die avond droeg de oude man de jongen nog steeds op handen. Maar alles woog hem zwaar. Hij schuifelde traag naar de ladenkast. Verstrooid. Verbrokkeld. Verloren. Zijn loden armen vochten tegen de zwaartekracht van zijn verdriet, maar hij kon de jongen niet hoger tillen dan onderste lade. De jongen trok er zich diep in terug. Hij voelde zijn peperkoeken hart verkruimelen."


(Deel 5)



"Sla soms je armen
eens om je heen
en geef jezelf dan
schouderklopjes.
Zo kan je je warmen
in tijden van alleen
en dan ben je zo
weer in je nopjes."



"De eerste leerling die nog Nederlans schrijft die prik ik ermee in zijn of haar billen!"

"Onberoerd. Niet aangeslagen.
Toetsen dragen een stilleven.
Winterlicht kust korte dagen.
De muze rijpt liever nog even."

woensdag 1 januari 2020

1 januari

"De tijd verstreek. Traag maar onherroepelijk. De jongen stond op het punt door te schieten zoals kolen in een winterbed. Langzaam dreigde hij uit de bovenste lade te groeien. Werd hij te groot om door opa op handen gedragen te worden. De wijde wereld wenkte. Ook dan zou de oude man hem blijven dragen. In zijn hart. Maar hij zou ook kunnen loslaten. Hij had hem alles geleerd wat hijzelf aan kennis en ambacht had verworven tijdens zijn lange leven. De jongen wist hoe de mortel te mengen en de grond te verbouwen. Hoe hout 5 keer warmte kon geven. Hoe je de wolken moest lezen en de wegen van het water. Het belang van goede aarding. Voor jezelf als mens en als je elektriciteit legt. Hij stak nu op vrijdag de oude stoof aan en bakte erboven de bakharing terwijl buiten op de vensterbank de pudding afkoelde. Hij kende alle verhalen die opa had verteld over de beschaving die altijd om bijschaving zou blijven vragen. Hij begreep het slingerend pad dat de mensheid had afgelegd en hoe wijsheid en domheid elkaar aanvielen met nooit een eindwinnaar. De oude man was klaar met geven. Zichzelf doorgeven. De jongen leek klaar om uit de bovenste lade te barsten. Leek."
 (Deel 4)


" Niet te lang meer
en als het kan zonder pijn.
Nooit gedacht dat zoiets
een nieuwsjaarswens
kon zijn."