"Het huis sloot zich voor jaren. Als een bloem die vergeefs op de
zonsopkomst wachtte. In de onderste lade was de jongen ondertussen
niets. Niet dood maar ook niet levend. Hij sluimerde. Niet in staat een
kant te kiezen. Maar toen op een late winterdag een onbestemd licht door
het sleutelgat van de lade deemsterde, ontdooide de jongen. In de
schommelstoel van opa zat een meisje. Bleek en mooi. Zichzelf wiegend.
Maar met de blik gekluisterd. Gevangen in blauw licht. Gevangen in
elders zo leek het wel. Alleen als ze sliep doofde het blauwe licht. De
jongen zag hoe die slaap geen rust bood. Hoe het meisje magerder,
bleker werd. De ogen doffer. Het wiegen rustelozer. De jongen trok naar
buiten. Snoeide de wildgroei van jaren. Spitte het gazon tot moes.
Verwelkomde schapen, kippen en varkens als waren het trekvogels die na
een lange koude winter terugkeerden. De oude radio werd van de zolder
gehaald en zijn warm geel licht verzachtte het blauwe koude licht. Het
vuur in de stoof bracht kleur op de wangen van het meisje en gensters in
haar blik. De jongen groeide en groeide. Tot man. Het meisje leerde hem
kijken door haar venster met blauw licht. ’s Avonds staarden ze samen
door zijn vensters op de wereld en droomden die als in de boeken van
oude schrijvers. Warm, wijs en met happy ends. Daarna droegen ze elkaar
op handen. Naar de bovenste lade. Dankbaar de honing te kunnen zijn in
de ogen van de ander. De tijd verstreek. Onherroepelijk. Maar terug
traag."
(Deel 7 - einde)
"Het weer is troosteloos
‘t lijkt één en al verdriet
Zonder enige tussenpoos
huilt het deze dag teniet
Hoe troost je een fenomeen
met een grijsheid zo intens
Denk dat ik maar meeween
achter ramen vol condens."
"It’s so sad that the lost
of our tail can’t be undone,
‘cause I believe that once
upon it was a fairy one."
"Het is niet omdat je in de ban van de ring bent,
dat je er ook wil in geslagen worden."
Geen opmerkingen:
Een reactie posten