In het dorp van mijn jeugd
donderdag 15 oktober 2020
15 oktober
woensdag 14 oktober 2020
14 oktober
Toen de leerkracht me vroeg
dinsdag 13 oktober 2020
13 oktober
Morgen klassenraad. De onderwijzen strooien dan wijsheden, aanvoelen, een tikje frustratie en goede raad in een vakje. Ze raden naar het potentieel van elke klas. Ze nemen een matrix ter hand en schuiven elke leerling eroverheen, houden hem tegen het vage daglicht dat het klaslokaal binnenvalt en proberen hem in woorden te vangen. ALTIJD BEGINNEN MET IETS POSITIEF! En NOOIT MAAR GEBRUIKEN (want dat breekt het voorgaande af). Maar dat is best lastig want er is altijd wel een maar die er wel degelijk toe doet. Die knaagt aan het positieve dat de leerling bezit en hem verhindert om echt te kunnen schitteren. Als klasgenoot, als lerende, als jongere in een ontluikend puberlijf. Morgen dus klassenraad. Mijn eerste als titularis. Dus leg ik mijn oor te luisteren bij collega’s en de echo’s die de leerlingen in mij hebben achtergelaten en ga op zoek naar de woorden om aan mijn leerlingen terug te geven. Woorden waarmee ze verder kunnen schrijven aan hun verhaal binnen onze school. Woorden die hen de moed geven om met de maar, die niet mag uitgesproken worden maar die ze zelf ook wel voelen, aan de slag te gaan. Woorden van mensen die er soms ook maar het raden naar hebben, maar altijd gemeend en vanuit een positief verlangen. Buiten schijnt de zon met een air alsof het lente is. De kans is groot dat dat zich zal weerspiegelen in mijn woorden. Klassenraadcommentaar voor zondag 13 oktober: Je bent kleurrijk met een zonnig karakter en een warme persoonlijkheid die aandacht heeft voor de verlangens van iedereen rondom jou. Maar 24 graden is echt wel overdreven! Probeer daar tegen volgende keer wat in te matigen. Die ‘maar’ moet ik er wel nog uit krijgen. Toch wens ik al mijn leerlingen een welbevinden van 24 graden in de herfst die een school soms voor hen kan zijn.
maandag 12 oktober 2020
12 oktober
zondag 11 oktober 2020
11 oktober
De zon heeft een beter dagje en zet het park van Tervuren in lichterlaaie. Twee vrouwen verstrengeld tot een armenaccolade laten zich de vitaminekuur welgevallen en staan verstild in het namiddaglicht te genieten. Ik glimlach het stilleven toe en krijg spontaan eentje in ruil. Van de oudste. Mijn fiets passeert hen moeiteloos maar mijn gedachten blijven de verdere terugweg huiswaarts hangen aan de opgekrulde mondhoeken van de vrouw. Een moeder. Die tijd deelt met haar dochter. Die samen met haar de stilte koestert om zo de gulheid van de afscheidnemende natuur beter in zich te kunnen laten doordringen. Een moeder die weet dat seizoenen zich wel herhalen maar niet op je wachten. Mijn moeder en ik hebben daar nooit zo gestaan. En zullen er nooit zo staan. We hebben te lang gewacht. We hebben de seizoen laten verglijden zonder ze samen van ons bezit te laten nemen. Nu is het voor haar altijd winter. En voor mij vaak vier seizoenen in één dag. Ver weg heeft een vakantieland beslist een buurland binnen te vallen en de stilte aan flarden te schieten. Moeders haken er hun armen in zonen en dochters. Vluchten. Zetten hun leven stil en trachten te overleven. Ik hoop dat de vrouwen in het park beseffen hoe normaal en tegelijk uitzonderlijk het is wat ze daar delen. Ik zie in gedachten haar glimlach weer en dit keer ben ik het die hem beantwoord. Ze weet het. Moeders weten.
zaterdag 10 oktober 2020
10 oktober
Mijmermensen en dromers. En natuurlijk een palet aan mensen die daar tussen stromen. Ik ben een geboren eerste. Een mijmeraar. Een zich verwonderaar. Iemand die zich wel eens verwondt in dat verwonderen. Iemand die mijmert over de wonderen die dromers hebben laten uitkomen. Bij het wonder van mijn geboorte mijmerde ik vast al over de negen maanden ervoor en hoe ik uit de droom van anderen ontstaan ben. Hoe mooi dat is. Mensen die dromen dromen tot ze als ooit gezaaide bloemen uitkomen. Zelf droom ik niet. Nooit. Nooit gedaan en nooit begrepen hoe anderen het doen. Hoe ze dromen van een huis met een gezin erin. Van het veroveren van een meisjeshart. Of een werelddeel. Van het bouwen van kathedralen door de eeuwen heen. Van roem en geld. Van al wat wezenlijk is en telt. Van vervulling. Maar ik kan het niet. Ik slaap hooguit. Wandel langs de dromen van anderen en mijmer over het stof dat al die dromen nalaat. Zie de energie die het geeft aan liefde. En haat. Blik terug op wat was. Blik in. En mijmer dat als ik een dromer was geweest, ik me meer mens onder de mensen had gevoeld. Maar dan had ik nooit begrepen wat het is om een mijmermens te zijn. Soms droom ik daarvan.
Ik ben meestal niet wakker genoeg om mijn dromen waar te maken.
In een zielige zaal
zat een zalige ziel
toen de avond viel
werden beide vaal.
Wie het hoekje omgaat, treft een doodlopende straat.
Ik leef in stuit.
vrijdag 9 oktober 2020
9 oktober
Soms breek ik mijn hoofd over brekend licht. Hoe het wit valt op een zomerblad en daarna gebroken en groen op mijn netvlies belandt. Of hoe in de herfst datzelfde blad wit breekt tot geel, bruin of net helrood. Nog één keer magistraal breken en dan dood. In de jaren tachtig lagen er na regenbuien in het oranje lantaarnlicht vaak regenbogen te glimmen op het asfalt. Olie. Vuile troost in zeer mistroostige jaren. VTM kleurde namelijk nog geen dagen. De zon bleef veelvuldig steken in mistbanken en smog en zomerherinneringen vervaalden gauw tot polaroidmelancholie. In tijden van koude oorlog trilde het licht trager en brak de mens ergens in de schaduw van het bestaan. Bescheiden. In de luwte van het licht. Misschien is dat waan. Hebben de kleuren van toen gewoon hun schittering verloren door de tijd die nu eenmaal alles aantast. Of door de dood die lange schaduwen werpt. Ofwel ontbrak het me toen aan de durf om te breken in een gebroken gezin. Was kleur een luxe die ik mij eigenlijk niet kon permitteren. Zwart zijn om geen kleur te hoeven bekennen. Veel kleuren zijn toen voorgoed verdroogd. Misschien daarom dat ik nu nog altijd zo makkelijk kan breken als iemand zonlicht zonder schroom durft weerkaatsen. Of iets. Een blad. Helrood. Breken om te kunnen stralen. Leven.
Vandaag het communicatiemodel bijna als volgt uitgelegd: ik ben de zender en de wc-pot is de ontvanger. Wat is dan de boodschap? Is ze groot of klein? Gedrukt of niet? Maar soms moet een mens zich weten in te houden.





