donderdag 15 oktober 2020

15 oktober

 In het dorp van mijn jeugd

gaat alles zijn gang
slaat de slager nog zijn slag
preekt de pastoor over deugd
en maakt lichtgelovigen bang.
In het dorp van mijn jeugd
loopt nieuwe jeugd school
boeren de boeren achteruit
raken akkervogels op de dool
is er altijd wel een nering die sluit.
In het dorp van mijn jeugd
floreren de roddels als vanouds
liggen mijn littekens op de macadam
heeft elke lelijkheid iets vertrouwds
en klinkt de echo van een toekomst
die ook al in mijn tijd niet kwam.
In het dorp van mijn jeugd
moet er groen wijken voor wijken
dromen mensen ver weg van de stad
hoe ze rust en vrede kunnen bereiken
een gevoel dat ik er maar zelden heb gehad.
In het dorp van mijn jeugd
loop ik langs mijn herinneringen heen
zoek er de ziel van eenvoud lang vervlogen
die samen met mijn grootouders verdween
en besef: dit dorp heeft mij nooit gemogen.


Koppig en naïef. Een oude man vatte mij ooit in die twee woorden. Toen was ik beledigd, nu niet meer. Waarschijnlijk had de man gewoon gelijk, maar was ik te koppig om dat toe te geven. Te naïef om in te zien dat de mens ook maar een dier is dat voor zijn eigen nest vecht en daarvoor desnoods de eieren uit andermans nest kegelt. Ondertussen ben ik ouder maar niet wijzer. Tot mijn vreugde en verdriet zie ik de koppigen en naïeven enkel toenemen. Als laatste alternatief tegen beter weten in. Want naïef zijn betekent niet dat je dom bent. Naïef zijn betekent voor mij vaak dat je gelijk hebt, maar dat je het niet zal krijgen. Omdat het niet past in een economische logica, in een machtslogica die niet maalt om morele waarden waarmee de mens zo graag schermt om zijn superioriteit op deze planeet te bewijzen. Naïef zijn is geloven dat we ook kunnen kiezen om te leven naar het beeld dat we hebben over goed en kwaad. Dat we als mens krachtig en koppig genoeg zijn om het juiste te doen om het hier op aarde voor iedereen tot een fijne plek te maken. Dat we krachtig en koppig genoeg zijn om ons korte-termijnegoïsme te doen zwijgen. De geschiedenis bewijst natuurlijk ten overvloede dat het naïef is om zoiets te geloven. Maar kijk vanavond toch maar eens naar het journaal en tel de naïevelingen en de koppigen. Ze zijn met velen. En ik blijf fier één van hen.




















woensdag 14 oktober 2020

14 oktober

 Toen de leerkracht me vroeg

een wiskundig raadsel te ontcijferen,
schrapte ik netjes alle getallen.
Maar daarna kwam een nul
alsnog de pret vergallen.


De ochtend hult zich nog in het duister als ik richting badkamer strompel. Lichte voetjes trippelen de trap af en komen op de mijne staan. Een hoofdje kroelt zich tegen mijn buik terwijl twee armen mij in een stevige greep nemen. Van mij mag Doornroosje zich nu prikken zodat we zo voor 100 jaar verstillen. In haar hoofdje zitten er vlinders. Gedachten vol verlangens die alle richtingen uitfladderen. Het bos trekt haar en de belofte van een heerlijke week tussen klasgenootjes en leerkrachten die nog goden zijn. Een week weg van huis. Haar armen knijpen wat ze nodig heeft uit mij. Liefde om vleugels mee te maken om uit te vliegen. Moed om de moeilijke momenten te overwinnen als het feestgedruis, dat haar leven nog is, even gaat liggen. Mijn zegen om ten allen tijde zichzelf te mogen zijn. Zachtjes mompelt ze tegen mijn buik dat ze me zal missen. Ik kus haar kruin ten antwoord. Niet half zoveel als ik jou betekent dat. Ik weet dat zij dat weet. Even later zijn haar armen verdwenen, krijgt mijn buik het koud en hoor ik dansende voetjes achter mij wegdeemsteren. Het bos mag zich opmaken voor een elfje. Aards en verheven. Geworteld en met het hoofd in de wolken. In de badkamer was ik de tranen uit mijn ogen. Dauw voor morgen op haar boswandeling.


Ik heb twee handen
eentje om te geven
en een om te nemen
Het leek mij geen schande
om je ziel bloot te geven
aan zij die het goed menen
En dus was er één hand die gaf
en één die vroeg, kleintjes en laf
om gunsten voor mijn streven
iets kleins, liefs, mij om het even
Ik heb twee handen
een die voluit gaf
en een die minder kreeg.
Beide handen
zijn nu leeg.



Hij had het helemaal verkorven
en zoals verwacht ferm verbruid.
Maar ja, gratie zo snel verworven
ben je als de wiedeweerga weer uit.
























HET VERBRUID HEBBEN
er zelfs op je trouwdag in geslaagd zijn je vrouw te ontgoochelen

dinsdag 13 oktober 2020

13 oktober

 









Morgen klassenraad. De onderwijzen strooien dan wijsheden, aanvoelen, een tikje frustratie en goede raad in een vakje. Ze raden naar het potentieel van elke klas. Ze nemen een matrix ter hand en schuiven elke leerling eroverheen, houden hem tegen het vage daglicht dat het klaslokaal binnenvalt en proberen hem in woorden te vangen. ALTIJD BEGINNEN MET IETS POSITIEF! En NOOIT MAAR GEBRUIKEN (want dat breekt het voorgaande af). Maar dat is best lastig want er is altijd wel een maar die er wel degelijk toe doet. Die knaagt aan het positieve dat de leerling bezit en hem verhindert om echt te kunnen schitteren. Als klasgenoot, als lerende, als jongere in een ontluikend puberlijf. Morgen dus klassenraad. Mijn eerste als titularis. Dus leg ik mijn oor te luisteren bij collega’s en de echo’s die de leerlingen in mij hebben achtergelaten en ga op zoek naar de woorden om aan mijn leerlingen terug te geven. Woorden waarmee ze verder kunnen schrijven aan hun verhaal binnen onze school. Woorden die hen de moed geven om met de maar, die niet mag uitgesproken worden maar die ze zelf ook wel voelen, aan de slag te gaan. Woorden van mensen die er soms ook maar het raden naar hebben, maar altijd gemeend en vanuit een positief verlangen. Buiten schijnt de zon met een air alsof het lente is. De kans is groot dat dat zich zal weerspiegelen in mijn woorden. Klassenraadcommentaar voor zondag 13 oktober: Je bent kleurrijk met een zonnig karakter en een warme persoonlijkheid die aandacht heeft voor de verlangens van iedereen rondom jou. Maar 24 graden is echt wel overdreven! Probeer daar tegen volgende keer wat in te matigen. Die ‘maar’ moet ik er wel nog uit krijgen. Toch wens ik al mijn leerlingen een welbevinden van 24 graden in de herfst die een school soms voor hen kan zijn.


Ze is gelukkig
want haar ogen
staan open
als bloemen in bloei
en een ogenblik lang
blikt ze mij in
herschikt ze mijn kijk
tot alles rondom
vloeibaar lijkt.
Ik ben een gelukkige
dochter rijk.


Hij laat de boomblaadjes tollen
wordt krachtig door op te steken
doet speels meisjesrokken bollen
Jaja, de wind heeft veel streken













Je stem klonk goed en licht van toon
daar in het grijze gasthuis op de berg
Zo eindigt de dag hoopvol en schoon
en blijken mijn euvels plots niet zo erg.


Omdat niets ontbreken mag
en alles om aandacht smacht
graag ook een Dag van de dag
en welja een Dag van de nacht.


Blij zijn met andermans geluk
terwijl het jou niet is gegund
dan besef je wat van je stuk
het leven is vaak kop of munt.


maandag 12 oktober 2020

12 oktober

 











Vier vrouwen gaan op restaurant
venten en zorgen even aan de kant
Ze zijn uitgelaten en netjes opgekleed
laten het hangen, schaamteloos breed.
En terwijl ik hen lachend nakeek
hoe zij een punt zetten achter hun week
denk ik plots aan een vrouw uit een andere tijd
mijn grootmoeder nooit uitgelaten, voor eeuwig kwijt.
Ik zoek en zoek maar vind ze niet
een vriendin die haar eens lachen liet
of die haar wegtrok bij huis en haard
gewoon voor een koffie en stukje taart.
In mijn herinnering verliet ze nooit het huis
Ze zorgde, zweeg en deed de grote kuis
Nooit was ze voor eigen plezier opgemaakt
Hoe is ze zo een heel leven doorgeraakt?
Hoe weinig weet ik van die vrouw
Hoe weinig van de emotionele kou
waarin haar leven zich heeft afgespeeld?
Hopelijk heeft ze meer dan ik wist gedeeld.



Tussen twee rekken van de Colruyt nemen we even de tijd om de tijd te bespreken. Wat die allemaal doet met ons kinderen. Hoe hij onze meisjes weggomt en er pubers van maakt die de tijd van hun leven zouden moeten hebben. Misschien hebben ze dat ook, maar ziet dat er in deze tijd gewoon anders uit dan in de onze. Want het valt niet te ontkennen, diezelfde tijd verandert ons ook in oude zakken onderweg naar ongemakken. Maar toch doen we het. Ontkennen. De tijd krast haar lessen in onze huid, verkleurt onze haren en helpt de zwaartekracht een handje. Maar ons zelfbeeld blijft er een van jongentjes die nog alles kunnen. We praten over lopen over berg en dal. Over onszelf voorbijlopen in altijd weer dezelfde val. Te veel willen in te weinig tijd. Alsof we maar niet willen begrijpen dat als wij hollen de tijd dat ook doet en dat als wij wandelen de tijd ook zijn rust hervindt. De tijd is een schaduw. We praten over literatuur. Die tijdreismachine. Over hoe de woorden van Bernard Dewulf de hectiek uit ons denken halen. We praten over de tijd waarin we leven en wat voor land en wereld we aan onze kinderen zitten te geven. We praten een halve voormiddag zoet. Tussen twee rekken in de Colruyt. Tot de tijd plots op is. We spreken nog gauw over toekomende tijd. Ergens tussen pot en pint. Waarvan we beide weten dat die er niet zal komen. Geen tijd. Aan de kassa denk ik aan al die mensen, vrienden, familie, voormalige buren waarmee ik tijd wil delen en amper of nooit doe. Tijd is het kostbaarste geschenk om te geven en toch vergooi ik hem een wegwerpmaatschappij waardig. Soms kiest de tijd gelukkig voor mij en vandaag achtte hij de tijd rijp voor een fijn gesprek op een onverwachte plek. Misschien is dat het maximum in deze fase van mijn leven. En dan leg ik me daar bij neer. Voor een tijdje.
















De herfst is een barokke schilder
met een weelderig penseel
en al lijkt het licht wat milder
van al die kleuren kijk ik scheel.



















Was
het verkiezen
van de president
een Amerikaanse prent,
het ware louter wachten
op een happy end.
Maar nu
misbruiken er twee
het eerste amendement,
noemen elkaar incompetent
en in het ergste geval
wint de vent.


zondag 11 oktober 2020

11 oktober

 

























De zon heeft een beter dagje en zet het park van Tervuren in lichterlaaie. Twee vrouwen verstrengeld tot een armenaccolade laten zich de vitaminekuur welgevallen en staan verstild in het namiddaglicht te genieten. Ik glimlach het stilleven toe en krijg spontaan eentje in ruil. Van de oudste. Mijn fiets passeert hen moeiteloos maar mijn gedachten blijven de verdere terugweg huiswaarts hangen aan de opgekrulde mondhoeken van de vrouw. Een moeder. Die tijd deelt met haar dochter. Die samen met haar de stilte koestert om zo de gulheid van de afscheidnemende natuur beter in zich te kunnen laten doordringen. Een moeder die weet dat seizoenen zich wel herhalen maar niet op je wachten. Mijn moeder en ik hebben daar nooit zo gestaan. En zullen er nooit zo staan. We hebben te lang gewacht. We hebben de seizoen laten verglijden zonder ze samen van ons bezit te laten nemen. Nu is het voor haar altijd winter. En voor mij vaak vier seizoenen in één dag. Ver weg heeft een vakantieland beslist een buurland binnen te vallen en de stilte aan flarden te schieten. Moeders haken er hun armen in zonen en dochters. Vluchten. Zetten hun leven stil en trachten te overleven. Ik hoop dat de vrouwen in het park beseffen hoe normaal en tegelijk uitzonderlijk het is wat ze daar delen. Ik zie in gedachten haar glimlach weer en dit keer ben ik het die hem beantwoord. Ze weet het. Moeders weten.










De maan
maande
de zon aan
niet in
haar baan
te gaan staan.
De zon
vond dat zonde
en zon op een idee
om ermee om te gaan.
Sindsdien
maant de zon
als ze elkaar kruisen gaan
de maan tot zonnen aan
en daarmee lijkt het probleem
voorlopig van de baan.


Grootvader
Op de bank
van vermolmd hout
aanschouwt hij
de winterbedden
met geknakte prei,
de uitdroogde uienrij
al lang niet meer te redden
Op de bank
langs het tuinpad
bad hij ooit
dat het zaad zo
teder gestrooid
ontluiken zou
in tuin en vrouw.
Hij vond zijn beden
ongehoord verhoord.
Op de bank
werd gelachen.
Gehuild. In de armen
van vader geschuild.
Woorden gewisseld.
Verzwegen. Gezwegen.
Plannen bedisseld
voor de zonneschijn
na de regen.
Achter de bank
de serre met tomaten
waar we de tijd vergaten
lezend in de najaarszon
of onze eigen
verveling maten
aan het druppelen
in de regenton
terwijl hij zoveel
lamlendigheid
niet begrijpen kon
Op de bank
van vermolmd hout
aanschouwt hij nu
de winterbedden
met geknakte prei
en wacht
op het vallen
van de duiven
de avond
het laatste gordijn
dat toe begint te schuiven
Hij wacht en verlangt
terug bij haar te kunnen zijn.


zaterdag 10 oktober 2020

10 oktober

 









Mijmermensen en dromers. En natuurlijk een palet aan mensen die daar tussen stromen. Ik ben een geboren eerste. Een mijmeraar. Een zich verwonderaar. Iemand die zich wel eens verwondt in dat verwonderen. Iemand die mijmert over de wonderen die dromers hebben laten uitkomen. Bij het wonder van mijn geboorte mijmerde ik vast al over de negen maanden ervoor en hoe ik uit de droom van anderen ontstaan ben. Hoe mooi dat is. Mensen die dromen dromen tot ze als ooit gezaaide bloemen uitkomen. Zelf droom ik niet. Nooit. Nooit gedaan en nooit begrepen hoe anderen het doen. Hoe ze dromen van een huis met een gezin erin. Van het veroveren van een meisjeshart. Of een werelddeel. Van het bouwen van kathedralen door de eeuwen heen. Van roem en geld. Van al wat wezenlijk is en telt. Van vervulling. Maar ik kan het niet. Ik slaap hooguit. Wandel langs de dromen van anderen en mijmer over het stof dat al die dromen nalaat. Zie de energie die het geeft aan liefde. En haat. Blik terug op wat was. Blik in. En mijmer dat als ik een dromer was geweest, ik me meer mens onder de mensen had gevoeld. Maar dan had ik nooit begrepen wat het is om een mijmermens te zijn. Soms droom ik daarvan.





























Ik ben meestal niet wakker genoeg om mijn dromen waar te maken.


In een zielige zaal
zat een zalige ziel
toen de avond viel
werden beide vaal.


Wie het hoekje omgaat, treft een doodlopende straat.


Ik leef in stuit.

vrijdag 9 oktober 2020

9 oktober

 









Soms breek ik mijn hoofd over brekend licht. Hoe het wit valt op een zomerblad en daarna gebroken en groen op mijn netvlies belandt. Of hoe in de herfst datzelfde blad wit breekt tot geel, bruin of net helrood. Nog één keer magistraal breken en dan dood. In de jaren tachtig lagen er na regenbuien in het oranje lantaarnlicht vaak regenbogen te glimmen op het asfalt. Olie. Vuile troost in zeer mistroostige jaren. VTM kleurde namelijk nog geen dagen. De zon bleef veelvuldig steken in mistbanken en smog en zomerherinneringen vervaalden gauw tot polaroidmelancholie. In tijden van koude oorlog trilde het licht trager en brak de mens ergens in de schaduw van het bestaan. Bescheiden. In de luwte van het licht. Misschien is dat waan. Hebben de kleuren van toen gewoon hun schittering verloren door de tijd die nu eenmaal alles aantast. Of door de dood die lange schaduwen werpt. Ofwel ontbrak het me toen aan de durf om te breken in een gebroken gezin. Was kleur een luxe die ik mij eigenlijk niet kon permitteren. Zwart zijn om geen kleur te hoeven bekennen. Veel kleuren zijn toen voorgoed verdroogd. Misschien daarom dat ik nu nog altijd zo makkelijk kan breken als iemand zonlicht zonder schroom durft weerkaatsen. Of iets. Een blad. Helrood. Breken om te kunnen stralen. Leven.


















Vandaag het communicatiemodel bijna als volgt uitgelegd: ik ben de zender en de wc-pot is de ontvanger. Wat is dan de boodschap? Is ze groot of klein? Gedrukt of niet? Maar soms moet een mens zich weten in te houden.