Soms breek ik mijn hoofd over brekend licht. Hoe het wit valt op een zomerblad en daarna gebroken en groen op mijn netvlies belandt. Of hoe in de herfst datzelfde blad wit breekt tot geel, bruin of net helrood. Nog één keer magistraal breken en dan dood. In de jaren tachtig lagen er na regenbuien in het oranje lantaarnlicht vaak regenbogen te glimmen op het asfalt. Olie. Vuile troost in zeer mistroostige jaren. VTM kleurde namelijk nog geen dagen. De zon bleef veelvuldig steken in mistbanken en smog en zomerherinneringen vervaalden gauw tot polaroidmelancholie. In tijden van koude oorlog trilde het licht trager en brak de mens ergens in de schaduw van het bestaan. Bescheiden. In de luwte van het licht. Misschien is dat waan. Hebben de kleuren van toen gewoon hun schittering verloren door de tijd die nu eenmaal alles aantast. Of door de dood die lange schaduwen werpt. Ofwel ontbrak het me toen aan de durf om te breken in een gebroken gezin. Was kleur een luxe die ik mij eigenlijk niet kon permitteren. Zwart zijn om geen kleur te hoeven bekennen. Veel kleuren zijn toen voorgoed verdroogd. Misschien daarom dat ik nu nog altijd zo makkelijk kan breken als iemand zonlicht zonder schroom durft weerkaatsen. Of iets. Een blad. Helrood. Breken om te kunnen stralen. Leven.
Vandaag het communicatiemodel bijna als volgt uitgelegd: ik ben de zender en de wc-pot is de ontvanger. Wat is dan de boodschap? Is ze groot of klein? Gedrukt of niet? Maar soms moet een mens zich weten in te houden.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten