Mijmermensen en dromers. En natuurlijk een palet aan mensen die daar tussen stromen. Ik ben een geboren eerste. Een mijmeraar. Een zich verwonderaar. Iemand die zich wel eens verwondt in dat verwonderen. Iemand die mijmert over de wonderen die dromers hebben laten uitkomen. Bij het wonder van mijn geboorte mijmerde ik vast al over de negen maanden ervoor en hoe ik uit de droom van anderen ontstaan ben. Hoe mooi dat is. Mensen die dromen dromen tot ze als ooit gezaaide bloemen uitkomen. Zelf droom ik niet. Nooit. Nooit gedaan en nooit begrepen hoe anderen het doen. Hoe ze dromen van een huis met een gezin erin. Van het veroveren van een meisjeshart. Of een werelddeel. Van het bouwen van kathedralen door de eeuwen heen. Van roem en geld. Van al wat wezenlijk is en telt. Van vervulling. Maar ik kan het niet. Ik slaap hooguit. Wandel langs de dromen van anderen en mijmer over het stof dat al die dromen nalaat. Zie de energie die het geeft aan liefde. En haat. Blik terug op wat was. Blik in. En mijmer dat als ik een dromer was geweest, ik me meer mens onder de mensen had gevoeld. Maar dan had ik nooit begrepen wat het is om een mijmermens te zijn. Soms droom ik daarvan.
Ik ben meestal niet wakker genoeg om mijn dromen waar te maken.
In een zielige zaal
zat een zalige ziel
toen de avond viel
werden beide vaal.
Wie het hoekje omgaat, treft een doodlopende straat.
Ik leef in stuit.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten