
Van alle zinnen die hij ooit hoorde
was er één die eeuwige indruk liet
Moeders goed bedoelde woorden:
Nee, zoon, een schrijver ben je niet.
Lieve k,
De lucht hangt er maar wat wezenloos bij. Wolkenloos en vaal van kleur. Een luchtje in mineur. Als een mens na een feest dat intens en blakend is geweest. Nu even rust. De bomen ademen wat trager hun zuurstof uit, motoren brommen een toontje lager en het bloed kruipt dik en log door zijn gangen. Er heerst een lagedrukgebied genaamd vakantie. De bureau’s rondom mij zijn leeg en verzamelen stof voor een nieuw werkjaar. Ik verzamel het afval, de parels en vooral het nietszeggende palet daartussen dat ik hier al die jaren vooral zittend heb geproduceerd. Ik zeef het op zijn waarde zoals een goudzoeker. Niet al waarvan ik dacht dat het goud was, blinkt nu nog. Het was vaker enkel de weerkaatsing van het eigen verlangen. Dat kan, zoals geweten, heel dof eindigen. Hoewel jij en ik gedegen het werk nemen en vriendelijk ons wezen ter beschikking stellen voor wat de arbeidsmarkt verlangt, ligt ons geluk elders. Achter die grijze lucht die de horizon zijn strakke lijn ontneemt. Ons geluk ontbloot zich op het snijpunt van licht en donker, droom en daad, verleden en de dageraad. Zoekend naar schoonheid en gelegenheid. Geuren die zalven en kleuren die afkalven als de zeewind heldendaden van lang geleden verzint. Wij zijn dromers voor het leven die hun leven aan de grijze lucht geven. Maar met een geest die achter de werkelijkheid leest. Ik zal je daar altijd schrijven en het enige wat jij moet doen, is jezelf blijven.
Tot schrijfs,
P.
Ik zie
Ik zie sporen
Ik zie wegen
die niet sporen
en gaan wegen
Ik zie tuigen
in de lucht
Ik zie mensen
op hun vlucht
Ik zie water
dat wil lopen
als een zondvloed
uit de tropen
Ik zie lachen
Ik zie huilen
Ik zie ze
achter lachen schuilen
Ik zie armen
Ik zie rijken
Ik zie beiden
dwars door alles kijken
Ik zie gisteren
Ik zie morgen
Niemand die voor
vandaag wil zorgen
Ik zie eindeloze vragen
in de ogen van mijn kind
Ik voel oud geloof vervagen
en verklaar mezelf ziende blind.

Buurman
Op deze zoutloze zomermorgen
aan het einde van jouw wintertijd
zit je in het halfduister verborgen
voor een wak en smakeloos ontbijt
Een handdoek om je nek gebonden
met twee wasspelden tot een slab
Bejaarde en baby zijn zo verbonden
in één beeld dat ik naar adem hap
Ik trek je lange witte kousen aan
tot steun in deze wankeldagen
Je vraagt of ik dit al heb gedaan
Ja, als mijn kinderen het vragen
Ik help jou recht en je bedankt mij
lacht je oude ziel en tanden bloot
waarom zoveel ellende en averij
aleer men klaar is voor de dood?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten