aan een mens
is hoe hij
als een boom
onderweg
naar volgroeid
door het leven
is gesnoeid
tot wie hij is en
ondanks het gemis
toch verder bloeit.
Gedoken in een deken
kijk ik door het winterraam
De weken die verstreken
dragen allemaal je naam
De lente wil niet komen
de noorderwind die snijdt
en rond al te naakte bomen
ligt een mager sneeuwtapijt
De wereld lijkt te wachten
tot je voor mijn ogen smelt
Maar ik hou je in gedachten
ben nog lang niet uitverteld.
Jarig zijn zonder jou
die mij jarig laat zijn
voelt aan als ontrouw,
maakt me oud en klein.
De nacht
houdt mij geborgen
in vertrouwde eenzaamheid
Ik wacht
op de morgen
die mij daaruit bevrijdt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten